festivaldag
mannelijk (de)/ˈfɛstivɑlˌdɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geheel van de onderdelen van een feestelijk evenement die op dezelfde datum plaatsvindenOp popgebied was de tweede festivaldag zelfs voor North Sea Jazz-begrippen een bont allegaartje. Het schoot in de belangrijkste grote zalen van latin rock naar Franse chansons en van de jazzy pop van Jamie Cullum naar de gespierde meezingers van Toto.
- datum waarop een feestelijk evenement plaatsvindtDe gemeente verwacht zelf ook niet dat het aantal festivaldagen met luide muziek dit jaar daalt, eerder dat het rond de 175 dagen blijft.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek