fietseling
vrouwelijk (de)/ˈfitsəˌlɪŋ/
Wat is de betekenis van fietseling?
fietseling betekent: (schertsend) verplaatsing per rijwiel
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (schertsend) verplaatsing per rijwiel
- tocht per rijwiel door een grote groep mensen als middel om de aandacht op een bepaald probleem te vestigen
- evenement waarbij recreanten een uitgezette tocht per rijwiel maken
zelfstandig naamwoord
- berijder van een rijwiel
Voorbeelden van "fietseling" in een zin
- Uit de omschrijving, die ik daarna moest geven concludeerde de Edelachtbare, dat het tweewielig voortbewegingsinstrument toch inderdaad een ding was, dat men in de wandeling of liever in de fietseling een rijwiel pleegt te noemen.
- Op zondag 11 augustus viert het Lappersfort één jaar bezetting met gidsbeurten door het bos, een boottocht en een nieuwe fietseling tegen de Zuidelijke Ontsluiting.
- Daarnaast fietste hij reeds vanaf de eerste fietseling in 1973 te Antwerpen mee met de Groene Fietsers en was hij actief in Tram voor Alleman, Werkgroep Verkeer Antwerpen, het FietsOntlastingsFonds (FOFO) en de Mortselse Verkeerscommissie.
- Fietseling is het woord, dat de aanhangers van de Vlaamse Agalev-beweging (anders gaan leven) geven aan hun milieu-manifestaties. Deze vinden zonder uitzondering op de tweewieler plaats.
- Fietseling, de wielerklassieker voor het hele gezin, vindt dit jaar plaats op zondag 2 juni. Drie routes gaan langs de mooiste plekjes in en rondom Merksem.
Etymologie
*[B] afgeleid van "fietsen" , dat in algemeen Nederlands meestal voor personen wordt gebruikt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek