fokker

mannelijk (de)/ˈfɔkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die (als beroep of uit liefhebberij) dieren houdt met de bedoeling hun voortplanting zo te laten verlopen dat hun nageslacht bepaalde erfelijke eigenschappen zal vertonen
    De meeste fokkers en handelaren doen weliswaar gewetensvol hun werk en verkopen gezonde dieren, zegt ze, maar dieren worden ondertussen ook druk gefokt voor tentoonstellingen, en daar gaat het nu juist om de uiterlijke kenmerken.
  2. verouderd (verouderd) iemand die heel rijk is
    Hij is een rijke fokker.
  3. verouderd, straattaal (verouderd) (straattaal) rondtrekkende arme dakloze

Etymologie

*[3] van 'focken' "gaan, dwalen, zwerven"