foutstroom

mannelijk (de)/ˈfɑutstrom/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. elektrotechniek (elektrotechniek) elektriciteit die gaat lopen doordat iets onbedoeld onder spanning is gezet
    Dit houdt in dat in geval van een fout de foutstroom, die nodig is om de smeltpatroon of de installatieautomaat tijdig te laten aanspreken, niet groter dan 200 A kan worden (…).
    Dergelijke innovatieve installaties vragen om een meer gedifferentieerde manier van beveiligen tegen foutstromen en het testen van deze beveiligingen.