frikadel

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌfrikaˈdɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een ronde, compacte gehaktbal met bepaalde kruiden
    Een frikadel is vooral in delen van België en Duitsland bekend.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gehakt vlees’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599

Vertalingen

Spaansalbóndiga (de carne)