fris

frɪs

Wat is de betekenis van fris?

fris betekent: schoon, zuiver, prettig ruikend

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. woorden met boekreferenties schoon, zuiver, prettig ruikend
  2. ironisch: weinig te vertrouwen
  3. woorden met artikelreferenties, woorden met boekreferenties aan de koude kant
  4. ~drank: een koele drank, meestal met koolzuurbelletjes

Voorbeelden van "fris" in een zin

  • We waren jong, fris en onnozel.
  • Al het vuil en de rottigheid van buiten zwabberde ik weg, had ze me uitgelegd, zodat ik vanbinnen weer fris en schoon werd.
  • Frisse jongens zijn dat!
  • Het is een stuk frisser geworden.
  • Ik liet een briefje op de tafel achter: 'Gone fo1' a promenade, back latezï' Het was mooi, fris weer.

Etymologie

Van Middelhoogduits vrisch, doublet met vers bn . In de betekenis van ‘vers, koel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477.

Vertalingen

Engelsfresh
Spaansfresco