fris
frɪs
Wat is de betekenis van fris?
fris betekent: schoon, zuiver, prettig ruikend
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- schoon, zuiver, prettig ruikend
- ironisch: weinig te vertrouwen
- aan de koude kant
- ~drank: een koele drank, meestal met koolzuurbelletjes
Voorbeelden van "fris" in een zin
- We waren jong, fris en onnozel.
- Al het vuil en de rottigheid van buiten zwabberde ik weg, had ze me uitgelegd, zodat ik vanbinnen weer fris en schoon werd.
- Frisse jongens zijn dat!
- Het is een stuk frisser geworden.
- Ik liet een briefje op de tafel achter: 'Gone fo1' a promenade, back latezï' Het was mooi, fris weer.
Etymologie
Van Middelhoogduits vrisch, doublet met vers bn . In de betekenis van ‘vers, koel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477.
Vertalingen
Engelsfresh
Spaansfresco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek