frisdrank

mannelijk (de)/ˈfrɪzdrɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. drinken (drinken) verfrissende drank zonder alcohol, in enge zin een koolzuurhoudende limonade, in ruime zin ook zonder koolzuur
    In de winkel kocht ik een fles frisdrank.

Etymologie

* , in 1956 bedacht door Dick Schiferli