fruithandel
mannelijk (de)/ˈfrœythɑndəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bedrijf) winkel of distributiebedrijf dat vruchten verkooptMoerer zou een fruithandel hebben gehad, schreef Omroep Brabant eerder.De andere slagerijen zijn daar ook, en de darmenhandels; de kruideniers, de fruithandels, maar het zijn ongetwijfeld de melkzaken die de meest zure, de meest doordringende stank verspreiden.
- (bedrijfstak) aan- en verkoop van vruchtenMaar nu steeds meer telers op peer overstappen, dreigt ook in deze fruithandel overproductie.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek