garnering

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aankleding van een gerecht
    Voor de garnering: 8 bosworteltjes, in lengte gehalveerd; 8 groene asperges, in de lengte gehalveerd; 12 radijsjes, grote exemplaren gehalveerd; een handje doperwten (vers of diepvries), kort geblancheerd; sap van 1/2 citroen; 1 el dragonazijn; 1 tl honing; 4 el olijfolie; een snufje gemalen komijn.NRC Janneke Vreugdenhil, 29 april 2017
  2. de versiering die op kleding is aangebracht
    Cassini was goed voor ruim 300 van Jackies outfits, maar het roze bouclé-wollen mantelpak dat zij droeg tijdens het fatale bezoek aan Dallas was niet van hem. En ook al draagt het de signatuur van Chanel, het label was van de New-Yorkse modesalon Chez Ninon. Om de kritiek de wind uit de zeilen te nemen werden het roze pakje en het bijpassende hoedje daar in 1961 in elkaar gezet, op aanwijzing van en in samenwerking met het huis Chanel. Ook de stof, de vergulde knopen en de marineblauwe voering en garnering voor het mantelpak kwamen uit Parijs.NRC Joyce Roodnat, 14 februari 2017

Etymologie

* van garneren

Vertalingen

Engelsornament