gematigdheid

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een karaktereigenschap ontstaan door beheersing van een vurig temperament of door de afwezigheid van een al te hartstochtelijk karakter
    ‘De kroonprins en zijn vader blijven erop hameren dat het nieuwe Saoedi-Arabië een land van vrijheid en gematigdheid is en dat de creatie van de anticorruptiecommissie slechts een stap in de goede richting is.’ Volkskrant Tim Igor Snijders 13 november 2017
    Moord in Pakistan op de gematigdheid: Pakistan raakt steeds verder ontwricht. Gisteren werd de gematigde leider Salman Taseer door een politieman vermoord, na zijn kritiek op de strenge blasfemiewet. NRC Floris van Straaten 5 januari 2011

Etymologie

* afleiding van matig

Vertalingen

Engelsmeasure, modesty