Geven
/ˈɣevə(n)/
Betekenis
werkwoord
- overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
- aanbiedenIk geef jullie een aantal ervaringen die ik heb meegemaakt op mijn eigen pad. Het zijn lessen die voor mij werken maar niet noodzakelijkerwijs voor jullie. Zie ze als suggesties, adviezen die je op verschillende momenten in je leven kunt raadplegen als een gids voor moeilijke en mooie momenten.
- opleveren, veroorzaken, verschaffenDeze wakkerheid gaf me een autonoom gevoel.Deze informatie was nog betrouwbaarder dan de soms wat verouderde opmerkingen in Guthook en gezamenlijk gaven ze voldoende informatie om met enigszins gerust hart de uitgedroogde woestijn in te trekken.
Etymologie
:: "गभस्ति" (gábhasti)
Uitdrukkingen
- 'm van jetje geven — er flink tegenaan gaan
- carte blanche geven — bevoegdheid geven om naar eigen inzicht vergaande maatregelen te nemen
- de aftrap geven — iets starten
- de bons geven — niet meer willen zien, als abrupt einde van een relatie
- de brui geven aan — teleurgesteld ophouden met
- de genadeslag geven — in een moeilijke situatie nog een fataal probleem erbij geven
- de nekslag geven — door iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan
- de pijp aan Maarten geven
Vertalingen
Engelsgive
Fransdonner
Duitsgeben, abgeben
Spaansdar, entregar, pasar
Italiaansdare
Portugeesdar
Russischдавать
Chinees給, 给
Japansあげる, あげる, 下す
Koreaans주다
Arabischأعْطَى
Turksvermek
Poolsdawać, przekazywać
Zweedsge
Deensgive
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek