Geven

/ˈɣevə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. overdragen van het bezit van iets aan iemand anders
  2. aanbieden
    Ik geef jullie een aantal ervaringen die ik heb meegemaakt op mijn eigen pad. Het zijn lessen die voor mij werken maar niet noodzakelijkerwijs voor jullie. Zie ze als suggesties, adviezen die je op verschillende momenten in je leven kunt raadplegen als een gids voor moeilijke en mooie momenten.
  3. opleveren, veroorzaken, verschaffen
    Deze wakkerheid gaf me een autonoom gevoel.
    Deze informatie was nog betrouwbaarder dan de soms wat verouderde opmerkingen in Guthook en gezamenlijk gaven ze voldoende informatie om met enigszins gerust hart de uitgedroogde woestijn in te trekken.

Etymologie

:: "गभस्ति" (gábhasti)

Uitdrukkingen

  • 'm van jetje gevener flink tegenaan gaan
  • carte blanche gevenbevoegdheid geven om naar eigen inzicht vergaande maatregelen te nemen
  • de aftrap geveniets starten
  • de bons gevenniet meer willen zien, als abrupt einde van een relatie
  • de brui geven aanteleurgesteld ophouden met
  • de genadeslag gevenin een moeilijke situatie nog een fataal probleem erbij geven
  • de nekslag gevendoor iets wordt de situatie een te groot probleem waardoor men het niet meer aan kan
  • de pijp aan Maarten geven

Vertalingen

Engelsgive
Fransdonner
Duitsgeben, abgeben
Spaansdar, entregar, pasar
Italiaansdare
Portugeesdar
Russischдавать
Chinees給, 给
Japansあげる, あげる, 下す
Koreaans주다
Arabischأعْطَى
Turksvermek
Poolsdawać, przekazywać
Zweedsge
Deensgive