glariën

/ˈɣlarijə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) (van mensen en andere wezens met ogen) door ziekte of heftige gevoelens met glimmende ogen kijken of met glazen blik verwilderd staren
    Hij wroetelde rond op de knieën, bleef op zijn handen geleund zitten glariën uit zijn hok en nu ontwaarde hij zijn wijf onder de stoof.
    Bruintje stond daar met zijn fluwelen paardeogen te glariën.
  2. (van dingen) licht weerspiegelen of uitstralen met wisselende sterkte
    De wind zit oost, de lucht is glashelder en 's avonds glariën de sterren.

Etymologie

*van Middelnederlands "glaren" "schitteren of glinsteren, vooral van de ogen" en "glarie" "glans, gloed of schittering van de ogen"; cognaat met "glas" en "glare"