grootpa

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. man waarvan een kind ook een kind heeft; de vader van je vader of moeder
    ‘Dat 's nou mijn present voor Grootpa, voor z'n feest. Wat zeg je daar nou van?’ (1915)–Victor Ido [https://www.dbnl.org/tekst/ido_001paup03_01/ido_001paup03_01_0002.php De paupers]

Vertalingen

Engelsgrandfather