haaientand
mannelijk (de)/ˈhajə(n)ˌtɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- tand van een haaiHaaientanden vallen regelmatig uit en worden dan vervangen.
- (verkeer) (figuurlijk) elk van de witte driehoeken die in een rij haaks op het wegdek worden aangebracht bij een kruising om aan te geven dat er voorrang verleend moet wordenHij had de haaientanden niet gezien.Tot slot zullen er, het werk van het laatste uur, op het wegdek van een honderd zijstraten „haaientanden" geschilderd worden.
Etymologie
**[2] omdat de kleur en vorm aan een rij haaientanden doet denken, in de betekenis ‘markering voorrangsweg’ aangetroffen vanaf 1967 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek