halfje
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de helft van iets met name als het gaat over brood- Het was maar honderd meter naar de bakker. Rennen ging nog niet zo goed. Twee dagen daarvoor was ik bevallen van mijn eerste kind. De zon scheen, ik wilde naar buiten. Eventjes weg van die zoetzure geur van babypoep, kots en muisjes. Op de terugweg holde ik toch, met mijn halfje bruin. Hijgend kwam ik bij het wiegje. Mijn dochter lag rustig te slapen. Gelukkig! Niet gestikt, geen stuipen. Toen wist ik: ik ben nooit meer vrij.Volkskrant Aleid Truijens 12 maart 2016
Etymologie
* afleiding van de verkleinvorm van half
Vertalingen
Engelshalf a loaf
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek