halfslachtigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het iets niet met volle overtuiging doen; het niet goed kunnen besluiten tot iets
    Het is het soort halfslachtigheid waarin men in Brugge - en grote delen van de voetbalwereld - uitblinkt. "Het is geen foute club, maar ze hebben een heel groot deel foute fans en daar durven ze niet tegenin te gaan", constateert columnist Vandeweghe.

Etymologie

* afleiding van halfslachtig

Vertalingen

Engelshalf-heartedness, indecision