hangen
/ˈhɑŋə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich in een positie los van de bodem bevinden en door een bevestiging aan een ander voorwerp voor vallen behoed wordenDe appels hangen nog aan de boom.Decoraties en meubelstukken uit ver van elkaar verwijderde tijdvakken hingen en stonden elkaar met verwondering aan te staren.De dagen erna zag ik overal kleine bloemen uit de droge grond tevoorschijn komen. Wat een feest! Het leek wel alsof overal slingers hingen.
- (inerg) door ophanging – meest aan de nek – ter dood gebracht wordenHangen zal hij!
- (ov) door ophanging – meest aan de nek – ter dood brengenDe misdadiger werd vroeg in de morgen gehangen.
- (inerg) op een relaxte manier ergens aanwezig zijn zonder veel activiteit te ondernemenMaar de hitte en de zon wekten ons toch vroeger dan we wilden en de rest van de dag brachten we door met hangen en lezen.
- (ov) aan een of meer hoger gelegen punten vastmaken, zodat het niet omlaag valt ook al wordt het aan de onderkant niet gesteundIk hang mijn jas aan de kapstok.
- (inerg) (informatica) (van een computer) vastzitten in een programmalus zodat opnieuw starten noodzakelijk isIk denk dat mijn laptop hangt, want hij reageert niet als ik het toetsenbord of de muispad gebruik.
Etymologie
* In de betekenis van ‘aan bovenkant bevestigd door eigen zwaarte neerwaarts gehouden worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Uitdrukkingen
- aan de grote klok hangen
- aan het klokzeel hangen
- erom hangen
- Barbertje moet hangen
Vertalingen
Engelsdroop, hang
Franspendre
Duitshängen
Spaanscolgar, pender
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek