hulp

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhʏlᵊp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handeling om iemand steun of bijstand te verlenen
    ‘We zijn er.’ Jack parkeerde de auto naast de grensmuur. Ik trok mijn rugzak uit de achterbak en bedankte hem hartelijk voor zijn hulp.
    Want de arbeidersmeerderheid had het probleem dat ze geen opgeleide mensen hadden voor alle bureaucratische en politieke posten. Dus moesten ze hun tegenstander om hulp vragen. En sindsdien werken ze in alle rust samen.
  2. iemand die ondersteuning of bijstand geeft
  3. hulpmiddel bijv. een hulpmotor

Etymologie

* In de betekenis van ‘bijstand’ voor het eerst aangetroffen in 901

Vertalingen

Engelshelp, assistance, aid
Fransaide
DuitsHilfe
Spaansayuda, asistencia, socorro
Turksyardım, destek
Poolspomoc