kerkstoel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stoel in een kerk
    „Nu is het zover gekomen dat mijn kerk vol moslims zit.” (Barst uit in tranen). „Ik probeerde mezelf te troosten met de gedachte dat ik eindelijk nog eens een volle kerk had, maar toen ik bijna mijn nek brak over die honderden schoenen in het portaal en vervolgens met lede ogen moest toezien hoe die mannen de kerkstoelen buiten gooiden, brak er iets in mij.NRC 28 oktober 2006