kif

mannelijk/vrouwelijk (de)/kɪf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. maatschappij (maatschappij), softdrug, bereid uit ingedikt sap van gedroogde en fijngestampte vrouwelijke hennepbloemen met een hoog gehalte aan het werkzame bestanddeel THC
zelfstandig naamwoord
  1. onenigheid veroorzaakt door afgunst

Etymologie

*[B] door deletie van de t uit "kift"

Vertalingen

Spaanscáñamo, cáñamo indio, marijuana