klad
mannelijk/vrouwelijk (de)/klat/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- stukje dat van een wat vloeibaar geheel is losgeraakt, ook als het na verloop van tijd is opgedroogd; vooral gebruikt als het zit op een oppervlak waar dat ongewenst is
- losgeraakt deel, stuk weefsel
- bloemhoofdje met stekeltjes
- uitgestelde betaling
- (dierkunde) in het wild levende duif
- (figuurlijk) voorlopige opzet
- (historisch) sterk absorberend papier, gebruikt om bij het schrijven een overmaat van inkt weg te deppen voordat er vlekken ontstaan
Etymologie
*: "kladden" zonder de uitgang -en
Uitdrukkingen
- de klad in komen
- bij de kladden nemen/grijpen/pakken/vatten
- Jan Klad
- op de klad halen
Vertalingen
Engelsblot, spot, draft
Spaansmácula, mancha
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek