klad

mannelijk/vrouwelijk (de)/klat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stukje dat van een wat vloeibaar geheel is losgeraakt, ook als het na verloop van tijd is opgedroogd; vooral gebruikt als het zit op een oppervlak waar dat ongewenst is
  2. losgeraakt deel, stuk weefsel
  3. bloemhoofdje met stekeltjes
  4. uitgestelde betaling
  5. dierkunde (dierkunde) in het wild levende duif
  6. figuurlijk (figuurlijk) voorlopige opzet
  7. historisch (historisch) sterk absorberend papier, gebruikt om bij het schrijven een overmaat van inkt weg te deppen voordat er vlekken ontstaan

Etymologie

*: "kladden" zonder de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • de klad in komen
  • bij de kladden nemen/grijpen/pakken/vatten
  • Jan Klad
  • op de klad halen

Vertalingen

Engelsblot, spot, draft
Spaansmácula, mancha