krib

/krɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. veeteelt (veeteelt) een voor veevoer gebruikte bak die aan de bovenzijde veel ruimer is dan op de bodem
    Zorg dat de kribben alle snel worden gevuld, anders worden de paarden dol.
  2. meubel (meubel) een eenvoudig en gemakkelijk vervoerbaar soldatenbed
    Buiten legertent stonden nog enkele kribben met gewonden.
  3. waterbeheer (waterbeheer) kleine, vaak stenen golfbrekertjes die op regelmatige afstanden langs de oever in het water steken om het afkalven van de oever tegen te gaan en/of om de stroomsnelheid te beïnvloeden
    Tussen de kribben kan een tegenstroom staan die men "neer" noemt.
  4. waterbeheer (waterbeheer) een enkele of dubbele rij houten paaltjes die op regelmatige afstanden langs de kust in zee steken, om het afkalven van het strand tegen te gaan
    Een krib is een eenvoudige golfbreker.
  5. waterbeheer (waterbeheer) een enkele of dubbele rij houten paaltjes die voor de landaanwinning langs een glooiende de kust zijn geplaatst
    De kribben vertragen het wegebben van het vloedwater, waardoor er meer bezinksel op het land achterblijft.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) kijfgrage vrouw

Etymologie

* In de betekenis van ‘voederbak’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1120

Uitdrukkingen

  • de kont tegen de krib gooienin opstand komen

Vertalingen

Engelscrib, trough, cribe
Fransauge, lit de sangle, épi
DuitsFutterkrippe, Feldbett, Buhne