Kuil

mannelijk (de)/kœyl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een uitholling in de grond, een gegraven gat
    Er zat een diepe kuil in de weg.
zelfstandig naamwoord
  1. een zakvormig visnet
  2. het achterste deel van een sleepnet

Etymologie

*[B] ‘visnet’; aangetroffen vanaf 1252 ; verkort uit vroeger kuidel (m), uit Middelnederlands cūdel(e), ontwikkeld uit Oergermaans *keudila-, verkleinwoord afgeleid van *keudō-.Guus Kroonen, The Proto-Germanic n-stems: A study in diachronic morphophonology, Amsterdam, Rodopi, 2011, blz. 175-176. Evenals Middelnederduits kūdel ‘tas’ en Duits dial. Keutel, Keitel ‘visnet, darm, gezwel’. Verwant met Nld. kodde ‘knots; staart’.

Uitdrukkingen

  • Wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf inWie een plan bedenkt om een ander een hak te zetten, wordt daar zelf juist de dupe van

Vertalingen

Engelspit, hole, cod net
DuitsKuhle, Grube, Loch
Spaanshoyo, hueco