kut

mannelijk/vrouwelijk (de)/kʏt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vulgair, anatomie (vulgair) (anatomie) vrouwelijk schaamdeel
    Ik ben niet helemaal naar Den Haag afgereisd om te vertellen hoe een lul in een kut moet.
  2. vulgair, figuurlijk, scheldwoord (vulgair) (figuurlijk) (scheldwoord) vervelende of domme vrouw
    Hoe stom kun je zijn, domme kut?
  3. vulgair, pejoratief (vulgair) (pejoratief) gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterken
    Door al die advertenties is het een kutsite geworden.
tussenwerpsel
  1. woord gebruikt wanneer iemand schrikt of geschrokken is
    Oh kut, dit gaat fout.
    Oh kut, dat ging maar net goed.

Etymologie

* In de betekenis van ‘vrouwelijk schaamdeel’ voor het eerst aangetroffen in 1563

Vertalingen

Engelscunt, pussy, fuck
Franscon, moule, con
DuitsFotze, Votze, Scheiße
Spaansconcha, conejo, coño