kut
mannelijk/vrouwelijk (de)/kʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (vulgair) (anatomie) vrouwelijk schaamdeelIk ben niet helemaal naar Den Haag afgereisd om te vertellen hoe een lul in een kut moet.
- (vulgair) (figuurlijk) (scheldwoord) vervelende of domme vrouwHoe stom kun je zijn, domme kut?
- (vulgair) (pejoratief) gebruikt als eerste deel van samenstelling om het negatieve karakter van het tweede deel te versterkenDoor al die advertenties is het een kutsite geworden.
tussenwerpsel
- woord gebruikt wanneer iemand schrikt of geschrokken isOh kut, dit gaat fout.Oh kut, dat ging maar net goed.
Etymologie
* In de betekenis van ‘vrouwelijk schaamdeel’ voor het eerst aangetroffen in 1563
Vertalingen
Engelscunt, pussy, fuck
Franscon, moule, con
DuitsFotze, Votze, Scheiße
Spaansconcha, conejo, coño
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek