kwalsteren

/ˈkwɑlstərə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. zich ontdoen van een overmaat aan speeksel
    Als ze zo een tijdje verkeerden, begon Odile te kwalsteren. Ze was eerst wat ziek. Och, geen erg. Een verkoudheid of zo, want ze was wat zwaar van hoofd en ze werd wat hees.

Etymologie

*afgeleid van "kwalster"