lijn

mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛin/

Wat is de betekenis van lijn?

lijn betekent: een getekende streep (op o.a. papier)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een getekende streep (op o.a. papier)
  2. wiskunde (wiskunde) Een denkbeeldige verbinding (zonder dikte) tussen twee punten in een 2 of 3 dimensionale ruimte
  3. scheepvaart (scheepvaart) touw
  4. een gespannen touw, zoals een waslijn, hengelsnoer of een aangelijnde hond
  5. de verbinding die mensen hebben wanneer ze via de telefoon met iemand in gesprek zijn
  6. figuurlijk (figuurlijk) een mogelijkheid om te communiceren
  7. de verbinding tussen twee plaatsen, die onderhouden wordt door een boot, bus, vliegtuig
  8. sport (sport) de streep aan de rand en op het sportveld
  9. een serie aanverwante producten die door één fabrikant worden geproduceerd
  10. de weg waarlangs een persoon of bepaald iets zich beweegt, of dient te bewegen
  11. een bepaald standpunt
  12. leiband, riem om een huisdier in toom te houden
  13. een reeks van bloedverwanten die een ouder-kindrelatie met elkaar hebben

Voorbeelden van "lijn" in een zin

  • Onder de lijn staat de som van de getallen.
  • Ze keek me aan, op haar lippen had de rode wijn een dikke, kronkelige lijn achtergelaten.
  • Tussen twee punten van een plat vlak, geeft een rechte lijn de kortste verbinding aan.
  • Een uit meerdere kardelen samengeslagen touw tot een omtrek kleiner dan 4 cm noemt men een lijn.
  • De huisvrouw hing de gewassen kleding op aan de lijn.

Etymologie

*van Middelnederlands "lijnde", "line"; in de betekenis van ‘touw’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • De lijn trekkenniet doorwerken maar weinig doen
  • Eén lijn trekken of Dezelfde lijn trekkendezelfde mening hebben
  • een lijn doortrekken
  • iemand aan het lijntje houden
  • aan de lijn denken
  • in de lijn van de verwachtingenzoals te verwachten was

Vertalingen

Engelsline, line, leash
Fransdroite, laisse
DuitsLinie, Gerade, gerade Linie
Spaanslínea, correa
Poolsprosta
Zweedsrät linje