lijn
mannelijk/vrouwelijk (de)/lɛin/
Wat is de betekenis van lijn?
lijn betekent: een getekende streep (op o.a. papier)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een getekende streep (op o.a. papier)
- (wiskunde) Een denkbeeldige verbinding (zonder dikte) tussen twee punten in een 2 of 3 dimensionale ruimte
- (scheepvaart) touw
- een gespannen touw, zoals een waslijn, hengelsnoer of een aangelijnde hond
- de verbinding die mensen hebben wanneer ze via de telefoon met iemand in gesprek zijn
- (figuurlijk) een mogelijkheid om te communiceren
- de verbinding tussen twee plaatsen, die onderhouden wordt door een boot, bus, vliegtuig
- (sport) de streep aan de rand en op het sportveld
- een serie aanverwante producten die door één fabrikant worden geproduceerd
- de weg waarlangs een persoon of bepaald iets zich beweegt, of dient te bewegen
- een bepaald standpunt
- leiband, riem om een huisdier in toom te houden
- een reeks van bloedverwanten die een ouder-kindrelatie met elkaar hebben
Voorbeelden van "lijn" in een zin
- Onder de lijn staat de som van de getallen.
- Ze keek me aan, op haar lippen had de rode wijn een dikke, kronkelige lijn achtergelaten.
- Tussen twee punten van een plat vlak, geeft een rechte lijn de kortste verbinding aan.
- Een uit meerdere kardelen samengeslagen touw tot een omtrek kleiner dan 4 cm noemt men een lijn.
- De huisvrouw hing de gewassen kleding op aan de lijn.
Etymologie
*van Middelnederlands "lijnde", "line"; in de betekenis van ‘touw’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- De lijn trekken — niet doorwerken maar weinig doen
- Eén lijn trekken of Dezelfde lijn trekken — dezelfde mening hebben
- een lijn doortrekken
- iemand aan het lijntje houden
- aan de lijn denken
- in de lijn van de verwachtingen — zoals te verwachten was
Vertalingen
Engelsline, line, leash
Fransdroite, laisse
DuitsLinie, Gerade, gerade Linie
Spaanslínea, correa
Poolsprosta
Zweedsrät linje
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek