neusdoek

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stoffen doekje waarin men de neus kan snuiten
    Over alledaagse voorwerpen, die in elk huishouden voorkwamen, is veel geschreven. Er bestaan studies over tafels, stoelen en glazen, over ledikanten en naaigerei, over porselein en aardewerk, over de bril, de neusdoek en de wandelstok. Maar de meeste van die studies zijn stilistisch of anekdotisch van aard: we lezen daarin over de ontwikkeling van de vormen en soms iets over de technieken en materialen. Veel minder komen we te weten over het gebruik en de maatschappelijke en symbolische betekenis ervan. NRC Roelof van Gelder 17 januari 2003 [https://www.nrc.nl/nieuws/2003/01/17/allemaal-in-een-bed-7622626-a753547 Allemaal in één bed]
  2. doek die men om de hals draagt en knoopt