neutralen
meervoud/nøˈtralə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wie in een conflict geen partij kiezenHet verschijnsel waar ik mijn kritiek tegen richt komt onder neutralen en partijdigen, naar het mij schijnt, gelijkelijk verdeeld voor.
- (geschiedenis) (Nederland) mensen of organisaties die niet bij een van de grote stromingen (rooms-katholiek, protestant, socialistisch) hoordenDe liberalen en neutralen zagen hun nationale, boven de partijen staande omroep gereduceerd tot een van de vier gelijkwaardige segmenten en moesten politiek in de ether voorlopig voor lief nemen.
- (geschiedenis) (mensen uit) landen die tijdens de Eerste Wereldoorlog buiten de strijd bleven en zich niet aansloten bij de centralen of bij de geallieerdenPicard had al opgemerkt: ‘De neutralen zijn gevaarlijk, wij moeten de neutralen wantrouwen. Via de neutralen zullen de Duitsers als door een geheime deur niet alleen de wetenschappelijke orde binnen proberen te dringen maar ook het nationaal overleg.’
- wie niet tot een van twee tegenover elkaar staande categorieën kunnen worden gerekendWij zouden dan trachten ons een oordeel te vormen tussen de malevolente en benevolente elementen in het korps der functionarissen. Wij zouden voorzichtig aan, stap voor stap, kunnen proberen het kaf van het koren te scheiden. Wij onderscheidden tussen de malevolenten, benevolenten en neutralen. De neutralen zouden wij voorlopig ongemoeid laten, men kan nu eenmaal niet alles tegelijk doen.
Etymologie
*, afgeleid van "neutraal"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek