nooddienst

mannelijk (de)/ˈnodinst/

Wat is de betekenis van nooddienst?

nooddienst betekent: organisatie die helpt een probleem te bestrijden in gevallen waar dat onmiddellijk vereist is

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. organisatie die helpt een probleem te bestrijden in gevallen waar dat onmiddellijk vereist is
  2. taak om bij optredende problemen onmiddellijk op te treden
  3. door bijzondere omstandigheden beperkte dienstverlening
  4. verouderd (verouderd) wat zonder eigen keus door of voor een ander moet worden gedaan omdat de omstandigheden daartoe dwingen

Voorbeelden van "nooddienst" in een zin

  • Van kruin tot enkels bloedde hij uit rafelige wonden. Ademhalen ging haast niet. Ik stelde voor de nooddienst te bellen.
  • Lekke banden die maar niet worden geplakt, de nooddienst die uren op zich laat wachten, de hulplijn die onbereikbaar is en kapotte rolstoelen die niet worden vervangen, waardoor klanten hun huis niet zonder hulp kunnen verlaten. Het heeft ertoe geleid dat een groeiend aantal gemeenten de afgelopen maanden hun contract met de zorgleverancier opgezegd.
  • Trouwens ik heb nooddienst dus de pieper kan ook gaan, man je wordt er gek van.
  • Vandaag besluit NS, afhankelijk van de weersomstandigheden en de materieeluitval, of de nooddienst ook de rest van de week wordt voortgezet. De winterregeling houdt in dat het splitsen en combineren met drie Intercity-series achterwege wordt gelaten.
  • Zelfs in den Kerkendienst wees men het onderscheid tusschen de Gemeente en de Kerkelijke ambtsdragers aan door het dusgenaamde Doophek. Binnen dat Doophek waren dan in afzonderlijke banken zitplaatsen aangewezen voor de officieele ambtsdragers, terwijl de Gemeente buiten dat Doophek plaats nam, en slechts voorzoover er in het overige gebouw plaats te kort schoot, en bij nooddienst, in het Doophek mocht plaats nemen.