nuk
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (psychologie) een grillige maar vooral ook lastige stemming of daadHet nare kind had weer zijn nukken.
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘kuur’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek