nuttigen

/ˈnʏtɛɣə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) voedsel gebruiken
    Hij nuttigde een eenvoudige maaltijd.

Etymologie

* In de betekenis van ‘spijs gebruiken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1401

Vertalingen

Engelstake sustenance, consume
Fransconsommer
Duitskonsumieren, verzehren
Spaansconsumir, ingerir
Russischупотреблять