oefenaar

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die een ander een bepaalde vaardigheid aanleert
  2. was iemand die mocht preken in een godsdienstoefening van een protestantse gemeente en ook zelf zijn preken mocht maken, dit in tegenstelling tot de preeklezer in de leesdienst, die alleen preken van anderen mag voorlezen.
    In de woorden van de oefenaren die de kweker bezoeken, zijn reminiscenties te beluisteren uit de preek van Paauwe, uitgesproken in 1949 in Den Haag. Paauwe zei: 'Ik hoop, mijn zeer geachte toehoorder, dat gij zó naar mij luistert, dat gij gedurig afdaalt in uw hart om uzelf af te vragen of de dingen zoals u ze hoort uitspreken, zo gevonden worde in uw binnenste, ze tegelijkertijd toetsende aan Gods heilige Getuigenis. NRC Kester Freriks 10 juni 2006 [https://www.nrc.nl/nieuws/2006/06/10/de-opzienbarende-rentree-van-religie-in-de-nederlandse-11143175-a335979 e opzienbarende rentree van religie in de Nederlandse cultuur]
  3. iemand die iets leert
    De ijverige oefenaar en kennisstamper floreert, terwijl het potentiële genie niet aan zijn trekken komt. Intellectuele oppervlakkigheid wordt de regel, en daarmee diepgang de uitzondering. NRC 11 maart 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/03/11/de-universiteit-hoort-juist-geen-praktijkschool-te-1219655-a1089434 De universiteit hoort juist geen praktijkschool te zijn]

Etymologie

* van oefenen