om

/ɔm/

Betekenis

voorzetsel
  1. aan alle kanten van iets.
    Om de kerk ligt een ring, bestaande uit een gracht met bomen.
  2. als aanduiding van het tijdstip waarop iets begint.
    Het volgende journaal is om 14:30.
    De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte.
  3. als aanduiding van een bedoeling of reden
    Om haar gezondheid is ze gestopt met roken.
  4. verouderd (verouderd) als aanduiding van een ruil of verwissing
    Hij gaf zes broodjes om een gulden.
voegwoord
  1. leidt een beknopte bijzin in: het effect dat men wil bereiken.
    Ik ga sonjabakkeren om af te vallen.
    Een druk op de knop is voldoende om de bus te laten stoppen.

Etymologie

:Noord: //: om, (: umb), /: um

Uitdrukkingen

  • een draai om de oren geven
  • om het even
  • een leugen om bestwil
  • een slag om de arm houden
  • er geen doekjes om winden
  • het hoekje om gaan
  • honing om de mond smeren
  • om de tuin leiden