onreinheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het niet schoon zijn
  2. het immoreel zijn; het onzedelijk zijn
    Nu, vaarwel, anders komt u er helemaal niet meer toe u op te knappen en krijg ik een van de ernstigste misdrijven op mijn geweten, die een fatsoenlijk mens plegen kan: onreinheid.
    In het pamflet staat echter dat "homoseksuele onreinheid of transgenderisme goedkeuren zondig is. Klaver: "Het is heel duidelijk dat met de verklaring afstand wordt genomen van de mogelijkheid dat je homo én christen kunt zijn."

Etymologie

* afleiding van onrein

Vertalingen

Engelsimpurity, untidiness, irtiness