ontbering

vrouwelijk (de)/ɔndˈberɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ɡebrek aan dinɡen die noodzakelijk zijn om voort te kunnen leven
    Een van de residenten in het Smak kreeg vorige week te horen dat zijn vader in Mosul van ontbering gestorven is. De Afghaan Bashir moest vernemen dat zijn broer teruggestuurd is.’ de Standaard ZATERDAG 12 AUGUSTUS 2017
    De voldoening overheerst echter en het onthaal in het 'Fiat-dorp' Garlenda was overweldigend. Met een erehaag van Fiatjes en de schijnwerpers vol op Gijs en Gregor. Inmiddels zijn ze een paar dagen terug in de Achterhoek. Ze hadden de trip vol ontberingen niet willen missen. Tubantia Gert Kramer 01-08-2017

Etymologie

* van ontberen

Vertalingen

Engelshardship, privation
DuitsNot, Elend
Russischнужда