opening

vrouwelijk (de)/ˈopəˌnɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een plaats die toegang biedt tot iets dat is afgesloten
    Door die opening komt veel kou binnen.
    In de opening van de keukendeur draait Lysbeth zich om naar haar nieuwe werkgeefster.
    'Mezelf? Wat weten jullie nou eigenlijk van mij? Helemaal niks!' Ik zie geen gezichten, alleen drie schaduwen die voor de opening van de ruïne staan.
  2. het openstellen van iets wat nog niet toegankelijk of in functie was
    De opening van de nieuwe brug werd verricht door het doorknippen van een lint.
    Op woensdag was ze er nog niet, maar Pamela en ik hadden het zo druk met de voorbereidingen voor de opening van de tentoonstelling dat ik geen tijd had om bij haar langs te gaan.
    Presentator Omid Djalili kon het niet laten daar kort naar te verwijzen. "Wat fijn dat u ons verkozen heeft boven de opening van het parlementaire jaar."

Etymologie

* van openen .

Vertalingen

Engelsopening, opening
Fransouverture, orifice, ouverture
Spaansapertura
Portugeesabertura