paardrijden

onzijdig (het)/ˈpaːrt.rɛidə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. paardrijden (paardrijden) zich, zittend op de rug van een paard, verplaatsen
    Voordat ze ging paardrijden, zadelde ze het paard op.
zelfstandig naamwoord
  1. paardrijden, hobby, sport (paardrijden) (hobby) (sport) het rijden te paard, ter ontspanning of als sportbeoefening
    'Jullie hebben hier iemand nodig, señorita,' zei ze. 'Dit is Londen niet. Kunnen jullie koken?' 'Nee.' 'Schoonmaken?' 'Nee.' Paardrijden?' 'Nee!' 'Ik help wel.' 'Hoe oud ben jij dan?' 'Achttien,' loog Teresa, want in werkelijkheid was ze pas zestien.

Etymologie

*Het werkwoord is een terugvorming van het zelfstandig naamwoord paardrijden.

Vertalingen

Engelsride on horseback, horseriding, equestrianism
Fransfaire du cheval, équitation
Duitsreiten, Reiten, Springreiten
Spaansmontar caballo, andar a caballo, equitación
Italiaansequitazione
Deensridning