pikken
/ˈpɪkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenenZe hebben mijn portemonnee gepikt.
- (ov) iets nemen, ontnemenIn rond de negentig procent van alle gevallen pikt de software de juiste boodschap uit een 'boe'.
- (ov), (informeel) dulden, accepterenIk pik het niet dat je tegen me scheldt.
- (ov), (dierkunde) (met de snavel) prikkenDe vogel pikte het graan van de grond.
Etymologie
* In de betekenis van ‘stelen’ voor het eerst aangetroffen in 1287
Uitdrukkingen
- De pik op iemand hebben — Bij een kans het niet nalaten iemand steeds te pesten
Vertalingen
Engelspilfer, peck
Fransvoler, picorer
Duitsklauen, nehmen, entnehmen
Spaansbirlar, picar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek