stelen
/ˈstelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (juridisch) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenenHet bleek dat zijn mobieltje gestolen was door Ronald.
werkwoord
- (ov) (van een vrucht of blad) ontdoen van wat nog is overgebleven van de verbinding met de stengel
- (ov) van een steel voorzien
Etymologie
*[B] Verbalisering van steel [3]
Uitdrukkingen
- Dat kan me gestolen worden — Daar geef ik helemaal niets om
- Om te stelen zijn — Erg mooi zijn en/of veel waarde bezitten; (van personen) Uiterlijk erg knap of sympathiek zijn of overkomen
- De show stelen — Van iedereen het meeste succes in iets hebben; alle aandacht en bewondering naar zichzelf toe trekken
- Iemand de woorden uit de mond stelen — Iets al eerder dan iemand anders zeggen
- Iemands hart stelen — Zorgen dat iemand heel veel van je houdt
- Met de ogen stelen — Iets aanleren door te kijken hoe een ander het doet
- Stelen als de raven — Een beruchte dief zijn
Vertalingen
Engelssteal
Fransvoler
Duitsstehlen
Spaansfurtar, robar, hurtar
Italiaansrubare
Portugeesroubar
Poolskraść
Zweedsstjäla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek