stelen

/ˈstelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, juridisch (ov) (juridisch) iets wegnemen van iemand en het zich wederrechtelijk toe-eigenen
    Het bleek dat zijn mobieltje gestolen was door Ronald.
werkwoord
  1. ov (ov) (van een vrucht of blad) ontdoen van wat nog is overgebleven van de verbinding met de stengel
  2. ov (ov) van een steel voorzien

Etymologie

*[B] Verbalisering van steel [3]

Uitdrukkingen

  • Dat kan me gestolen wordenDaar geef ik helemaal niets om
  • Om te stelen zijnErg mooi zijn en/of veel waarde bezitten; (van personen) Uiterlijk erg knap of sympathiek zijn of overkomen
  • De show stelenVan iedereen het meeste succes in iets hebben; alle aandacht en bewondering naar zichzelf toe trekken
  • Iemand de woorden uit de mond stelenIets al eerder dan iemand anders zeggen
  • Iemands hart stelenZorgen dat iemand heel veel van je houdt
  • Met de ogen stelenIets aanleren door te kijken hoe een ander het doet
  • Stelen als de ravenEen beruchte dief zijn

Vertalingen

Engelssteal
Fransvoler
Duitsstehlen
Spaansfurtar, robar, hurtar
Italiaansrubare
Portugeesroubar
Poolskraść
Zweedsstjäla