pissen

/ˈpɪsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, informeel (inerg), (informeel) vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen via de urinebuis
    Hij moest heel nodig pissen.

Etymologie

* Vermoedelijk van "pissier" ‘urineren’ < Latijn pissiare. Van oudsher waarschijnlijk klanknabootsend. In de betekenis van ‘urineren’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Buiten/Naast de pot pissenEen misstap/stommiteit begaan, iets verkeerd doen; overspel plegen

Vertalingen

Engelspiss, urinate
Franspisser
DuitsWasser lassen, pinkeln, pissen
Spaansmear, empapar de meado, orinar
Italiaanspisciare
Portugeesmijar
Russischссать, поссать
Japans小便をする
Koreaans오줌싸다
Arabischبول, شخ
Turksişemek, çiş yapmak, çiş etmek
Poolssikać, szczać
Zweedspissa