pissen

/ˈpɪsə(n)/

Wat is de betekenis van pissen?

pissen betekent: (inerg), (informeel) vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen via de urinebuis

Betekenis

werkwoord
  1. inerg, informeel (inerg), (informeel) vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen via de urinebuis

Voorbeelden van "pissen" in een zin

  • Hij moest heel nodig pissen.

Betekenis en uitleg van pissen

Pissen is een informele term die verwijst naar het urineren, oftewel het uitscheiden van urine. Het woord wordt vaak gebruikt in alledaagse gesprekken, meestal in een luchtige of ongedwongen context.

Je gebruikt het woord 'pissen' meestal in informele situaties, bijvoorbeeld onder vrienden of in ontspannen gesprekken. Het heeft een minder formele en meer speelse toon dan het woord 'urineren'. Hoewel het algemeen aanvaard wordt, kan het in sommige contexten als grof of ongepast worden ervaren.

Voorbeelden

  • Na een lange rit stopten we bij een tankstation om even te pissen.
  • Hij maakte een grapje over het feit dat hij weer moest pissen na die grote fles water.
  • Tijdens het kamperen in de natuur was het altijd een uitdaging om discreet te pissen.

Woordoorsprong

Het woord 'pissen' heeft vermoedelijk zijn oorsprong in het Middelnederlands, waar het verwant is aan woorden die ook met urineren te maken hebben.

Veelgestelde vragen over pissen

Wat is de betekenis van pissen?

pissen betekent: (inerg), (informeel) vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozen via de urinebuis

Wat zijn synoniemen van pissen?

Synoniemen van pissen zijn: urineren, piesen, zeiken.

Hoe gebruik je pissen in een zin?

Voorbeeld: “Hij moest heel nodig pissen.

Etymologie

* Vermoedelijk van "pissier" ‘urineren’ < Latijn pissiare. Van oudsher waarschijnlijk klanknabootsend. In de betekenis van ‘urineren’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Uitdrukkingen

  • Buiten/Naast de pot pissenEen misstap/stommiteit begaan, iets verkeerd doen; overspel plegen

Vertalingen

Engelspiss, urinate
Franspisser
DuitsWasser lassen, pinkeln, pissen
Spaansmear, empapar de meado, orinar
Italiaanspisciare
Portugeesmijar
Russischссать, поссать
Japans小便をする
Koreaans오줌싸다
Arabischبول, شخ
Turksişemek, çiş yapmak, çiş etmek
Poolssikać, szczać
Zweedspissa