zeiken

/ˈzɛikə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. informeel (informeel) veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zaken
    Zit toch niet zo te zeiken!
  2. inerg, ov, dysfemisme (inerg), soms (ov) (dysfemisme) urineren
    Die rotkater heeft weer op die plek gezeken.
    Vanochtend zeikte ik wat bloed.
  3. onpr, informeel, meteorologie (onpr), (informeel), (meteorologie) hard regenen, stortregenen
    Het zeikt buiten.

Etymologie

*van Middelnederlands "seiken", verdere etymologie onduidelijk; wel zijn er verwante woorden in diverse Indo-Europese talen. In de betekenis van ‘plassen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

Engelswhine, nag, urinate
Portugeespegar no pé, lamentar, urinar