zeiken
/ˈzɛikə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (informeel) veelvuldig en langdurig klagen over weinig belangrijke zakenZit toch niet zo te zeiken!
- (inerg), soms (ov) (dysfemisme) urinerenDie rotkater heeft weer op die plek gezeken.Vanochtend zeikte ik wat bloed.
- (onpr), (informeel), (meteorologie) hard regenen, stortregenenHet zeikt buiten.
Etymologie
*van Middelnederlands "seiken", verdere etymologie onduidelijk; wel zijn er verwante woorden in diverse Indo-Europese talen. In de betekenis van ‘plassen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
Engelswhine, nag, urinate
Portugeespegar no pé, lamentar, urinar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek