plassen
/ˈplɑsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) via de urinebuis vloeibare lichamelijke afvalstoffen lozenHij heeft per ongeluk in zijn broek geplast.Ze waren naar buiten gegaan om te plassen maar werden daar plotseling omringd door een blauwe lichtbol.
- (intr) zich bewegen in een vloeistof (meestal water)De riemen plasten door het water.
- (intr) (m.n. van water) zich in grote stromen uitstortenHet water plaste door de keuken.
- (intr) (m.n. van water) opspatten
- (intr) (m.n. van water) klaterend stromen
- (intr), (huishouden) met behulp van water iets schoonmaken; in deze betekenis vooral in de uitdrukking [zij houden van] wassen en plassen (waarbij het soms ook bet. 1 kan gaan)
- (intr) (in combinatie met "door") waden
Etymologie
*: "plas" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- Tegen de wind in plassen — Iets doen wat onnodig extra moeilijkheden oplevert
- In bloed plassen — Grootschalig moorden
Vertalingen
Engelspee, wee, urinate
Fransfaire pipi, uriner
Duitspinkeln
Spaanshacer pis, mear, orinar
Poolssikać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek