scheel

onzijdig (het)/sxeːl/

Wat is de betekenis van scheel?

scheel betekent: het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden

Betekenis

bijvoeglijk naamwoord
  1. het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
zelfstandig naamwoord
  1. deksel
  2. verschil
  3. scheiding
  4. schedel
werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
  2. gebiedende wijs van schelen
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen

Voorbeelden van "scheel" in een zin

  • De man moet een bril dragen doordat hij schele ogen heeft.
  • Ik scheel.
  • Scheel!
  • Scheel je?

Etymologie

In de betekenis van ‘loens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Vertalingen

afskeel
Duitsschielend
Engelscross-eyed
Italiaansstrabico
lisjael
papskel
Spaansbisojo, bizco
Zweedsskelögd, vindögd