scheel
onzijdig (het)/sxeːl/
Wat is de betekenis van scheel?
scheel betekent: het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- het gebrek hebbend dat de oogassen niet op eenzelfde punt gericht kunnen worden
zelfstandig naamwoord
- deksel
- verschil
- scheiding
- schedel
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
- gebiedende wijs van schelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schelen
Voorbeelden van "scheel" in een zin
- De man moet een bril dragen doordat hij schele ogen heeft.
- Ik scheel.
- Scheel!
- Scheel je?
Etymologie
In de betekenis van ‘loens’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Vertalingen
afskeel
Duitsschielend
Engelscross-eyed
Italiaansstrabico
lisjael
papskel
Spaansbisojo, bizco
Zweedsskelögd, vindögd
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek