scheiden
/ˈsxɛidə(n)/
Wat is de betekenis van scheiden?
scheiden betekent: (ov) in afzondering brengen
Betekenis
werkwoord
- (ov) in afzondering brengen
- (ov) het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
- (erga), (juridisch) ~ van: een huwelijksband wettelijk verbreken
- (erga) uiteengaan
- (refl) zich ~: afsplitsen
- met ontslag gaan
Voorbeelden van "scheiden" in een zin
- In deze machine wordt het waardevolle erts gescheiden van de rest van het opgegraven gesteente.
- Het probleem was echter dat de boom meer dan vier meter boven een kolkende rivier hing en ik totaal geen houvast zou hebben tijdens het overbruggen van de zes meters die me van de overkant scheidden.
- Moeder en dochter werden gescheiden door de bouw van de Muur.
- Hij is al enige tijd van haar gescheiden.
- Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden.
Etymologie
:: kėsti, skíesti
Uitdrukkingen
- Bij het scheiden van de markt, leert men de kooplui kennen — Als de zaken eenmaal gedaan zijn, leer je iemand pas echt kennen
- De bokken van de schapen scheiden — De goeden apart van de kwaden zetten of een scheiding maken tussen goede en slechte mensen / Een scheiding maken tussen mannen en vrouwen / Een scheiding maken tussen mensen die iets durven of kunnen ten opzichte van anderen
- Het kaf van het koren scheiden — Het waardevolle van het waardeloze scheiden
- Hier scheiden onze wegen — Hierna gaan we uit elkaar, we trekken vanaf nu niet langer samen op
Vertalingen
Spaansseparar, apartar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek