simpen
/ˈsɪmpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (pejoratief) met tranen laten merken dat je erg verdrietig en ontdaan bentDe man helpt Robben overeind. Niet meer simpen. Weg van hier. Naar de boot. Op naar de bewoonde wereld. Op naar het Nederlands elftal. Voetballen is de enige remedie tegen strafschopleed.
Etymologie
*(klanknabootsing)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek