slaak

Wat is de betekenis van slaak?

slaak betekent: eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slaken

Betekenis

werkwoord
  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slaken
  2. gebiedende wijs van slaken
  3. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slaken

Voorbeelden van "slaak" in een zin

  • Ik slaak.
  • Slaak!
  • Slaak je?