slimmigheid

vrouwelijk (de)/ˈslɪməxˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het op een handige manier intelligent zijn; een handeling die getuigt van praktische intelligentie
    Oud worden zoals Henny Gelink is bijna een zegen. Hij ziet nog uitstekend, is nog zeer helder van geest. Af en toe - maar dat is soms ook slimmigheid - denkt hij bepaalde dingen niet meer te weten. Tubantia 12-06-08 [https://www.tubantia.nl/enschede/de-stier-van-twente-is-gestopt~a607dfe3/ 'De stier van Twente' is gestopt]
    Volle bak ertegen aan, snap je? In het voetbal heb je niet genoeg aan woorden alleen. En ja, dat heeft ook te maken met ervaring.” Toch blijft Bonke hoopvol en positief over de ambities. De derde klasse? „Als die slimmigheid erin komt, dan komt het goed.” Tubantia Robin Campmans 15-09-11 [https://www.tubantia.nl/amateurvoetbal/bonke-is-van-een-andere-generatie~a89361da/ Bonke is van een andere generatie]
    'Het positiespel, de slimmigheid, de volwassenheid, dat miste ik toen ik hier kwam', zegt De Boer tegen AT5. 'Aan die facetten werken we nu keihard met z'n allen op De Toekomst.' Tubantia 19-12-11 [https://www.tubantia.nl/nederlands-voetbal/de-boer-schrok-van-niveau-jeugdopleiding-ajax~ac19d707/ De Boer schrok van niveau jeugdopleiding Ajax]

Etymologie

* afleiding van slimmig

Vertalingen

Engelstrick, smartness, cleverness
Spaansardid, artimaña, treta