smalltalk

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verzamelnaam voor informele gesprekken die niet gevoerd worden omwille van de inhoud, maar omwille van het gesprek zelf
    "Ik vind je dapper en sterk. Knap hoe je dit allemaal voor elkaar hebt gebokst." Ze pakt mijn hand vast, ze meent het. We zitten tegenover elkaar aan de keukentafel met een kopje koffie. Het is allesbehalve smalltalk. De Telegraaf 15 apr. 2018 [https://www.telegraaf.nl/vrouw/1918740/een-ding-zou-ik-anders-doen 'Eén ding zou ik anders doen']
    We stellen haar gerust en ontvluchten haar gewiekste smalltalk met een wedervraag. Wetend dat Melody Gardot een zeer gelovige vrouw is, confronteren we haar met een duivels dilemma. Stel dat op je achttiende een engel aan je was verschenen die had gezegd: God is bereid om een grote jazz-ster van je te maken, maar eerst zul je een lijdensweg af moeten leggen, een beproeving waarvan je nooit meer helemaal zult herstellen. Hoe zou je, wetend wat je nu weet, op dat voorstel hebben gereageerd? HP de Tijd JAZZCARRI 1 MEI 2009 [https://www.hpdetijd.nl/2009-05-01/geluk-bij-een-ongeluk/ Geluk bij een ongeluk]
    „Zijn zeker hard gegaan he, met dit weer?” Voor de beginneling op het gebied van smalltalk is het bespreken van atmosferische omstandigheden niets om je voor te schamen, las ik. NRC Georgina Verbaan 1 juni 2018 [https://www.nrc.nl/nieuws/2018/06/01/smalltalk-a1604835 Smalltalk]

Etymologie

* uit het Engels

Vertalingen

Engelssmalltalk