spiegel

mannelijk (de)/ˈspiɣəl/

Wat is de betekenis van spiegel?

spiegel betekent: (meubel), (natuurkunde), (optica) voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek van terugkaatsing"

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel, natuurkunde, optica (meubel), (natuurkunde), (optica) voorwerp dat licht (en andere soorten elektromagnetische straling) weerkaatst volgens de regel: "hoek van inval = hoek van terugkaatsing"
  2. scheepvaart (scheepvaart) vlakke achtersteven van een schip
  3. jachttaal (jachttaal) wit stukje vacht op het achterste van een ree
  4. biologie, medisch (biologie) (medisch) concentratie van bepaalde stoffen in het bloed
  5. spiegelglad oppervlak (bijv. -> zeespiegel)
  6. een overzicht bijv. beroepenspiegel, medaillespiegel etc.

Voorbeelden van "spiegel" in een zin

  • Hij zag in zijn spiegel een achteropkomende auto aankomen.
  • In de badkamer met een grote spiegel in een vergulde lijst was er met zichtbare tegenzin een moderne douchecabine aangebracht naast de antieke badkuip van email, die op vier bronzen pootjes in de vorm van leeuwenklauwen stond.
  • Op een avond vond ik een kleine ronde spiegel in de struiken en besloot ik mijn haar te knippen.
  • De buitenboordmotor is aan de spiegel van het jacht bevestigd.

Etymologie

* Leenwoord uit middeleeuws Latijn spēglum (waaruit Italiaans speglio), uit klassiek speculum. Evenzo ontleend zijn Nederduits Spegel, Duits Spiegel en Fries spegel.

Vertalingen

Engelsmirror, looking-glass, poop
Fransmiroir
DuitsSpiegel
Spaansespejo, popa
Italiaansspecchio
Portugeesespelho, popa
Japans
Poolslustro
Zweedsspegel
Deensspejl