spuwsel

onzijdig (het)

Wat is de betekenis van spuwsel?

spuwsel betekent: wat men ophoest

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wat men ophoest
  2. wat men uitbraakt

Voorbeelden van "spuwsel" in een zin

  • In februari 1927 grippe, april, bronchitis. Vrij sterk hoesten, spuwsel aanvankelik weinig, tans meer. Zweten, weinig. (1996)–Gerrit Borgers [https://www.dbnl.org/tekst/borg006paul01_01/borg006paul01_01_0074.php Paul van Ostaijen. Een documentatie]

Betekenis en uitleg van spuwsel

Spuwsel is de vloeistof die in je mond wordt geproduceerd en uit je speekselklieren komt. Het is een mengsel van water, enzymen en andere stoffen dat helpt bij het verteren van voedsel en het bevochtigen van je mond.

Het woord spuwsel wordt vaak gebruikt in informele of dagelijkse gesprekken, vooral als het gaat om praten over speeksel of gerelateerde onderwerpen. Het kan ook een negatieve connotatie hebben wanneer het gebruikt wordt om iets te beschrijven dat als onrein of onaangenaam wordt ervaren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin iemand onhandig of ongepast spuugt.

Voorbeelden

  • Na het eten voelde hij het spuwsel in zijn mond toen hij naar de film keek.
  • De hond kwijlde en liet spuwsel achter op de vloer, wat een rommelige situatie veroorzaakte.
  • Tijdens de wedstrijd spuwde de speler zijn spuwsel op de grond als teken van frustratie.

Woordoorsprong

Het woord spuwsel is afgeleid van het werkwoord 'spuwen', dat verwijst naar het uitwerpen van speeksel of andere vloeistoffen.

Veelgestelde vragen over spuwsel

Wat is de betekenis van spuwsel?

spuwsel betekent: wat men ophoest

Hoeveel betekenissen heeft spuwsel?

spuwsel heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft spuwsel?

spuwsel is een onzijdig (het).

Wat zijn synoniemen van spuwsel?

Synoniemen van spuwsel zijn: speeksel, fluim, sputum, spuug, braaksel.

Hoe gebruik je spuwsel in een zin?

Voorbeeld: “In februari 1927 grippe, april, bronchitis. Vrij sterk hoesten, spuwsel aanvankelik weinig, tans meer. Zweten, weinig. (1996)–Gerrit Borgers [https://www.dbnl.org/tekst/borg006paul01_01/borg006paul01_01_0074.php Paul van Ostaijen. Een documentatie]

Etymologie

* van spuwen